26 september 2014A-G: invoer-btw verschuldigd wegens te late aanbrenging bij douane

Op grond van art. 18 Wet OB kwalificeert de onttrekking van een goed aan een douaneregeling als de invoer van het goed van buiten de EU. Ter zake van deze invoer is btw verschuldigd. 

De Nederlandse btw-ondernemer X B.V. (hierna: X) houdt zich onder meer bezig met het samenstellen en verhandelen van technische apparaten. Op 26 oktober 2005 heeft X aangifte gedaan tot plaatsing van een motor onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer, met als geadresseerde D B.V. (hierna: D). Op 14 november 2005, 17 dagen na de uiterste datum waarop de motor bij het douanekantoor van bestemming moest worden aangebracht, heeft een vertegenwoordiger van D de motor aangebracht onder een andere douaneregeling, namelijk actieve veredeling. De inspecteur heeft, na het – zonder resultaat – opvragen van aanvullend bewijs bij X, geconcludeerd dat de motor niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming en daarom aan het douanetoezicht onttrokken is, waarna hij ruim € 1.000 aan douanerechten en bijna € 5.000 aan invoer-btw heeft nagevorderd van X. X is tegen deze navorderingen in verweer gekomen, omdat hij meent dat een enkele overschrijding van de termijn niet kan leiden tot de conclusie dat het goed aan het douanetoezicht onttrokken is.

De Hoge Raad heeft in deze zaak prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU. Met betrekking tot de heffing van invoer-btw heeft de Hoge Raad gevraagd of er een btw-schuld ontstaat op het moment van ontstaan van de douaneschuld, namelijk als de ondernemer niet voldoet aan één van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder het goed geplaatst is (art. 204 CDW), Het HvJ EU heeft, in tegenstelling tot hetgeen A-G Jaäskinen in deze zaak concludeerde, geoordeeld dat invoer-btw verschuldigd is indien het goed aan de douaneregeling wordt onttrokken waaronder het is geplaatst, zelfs indien een douaneschuld slechts op grond van art. 204 CDW is ontstaan. Het HvJ EU gaf de verwijzende rechter de opdracht om na te gaan of het goed in casu al dan niet onttrokken is aan de regeling extern douanevervoer. 

In haar conclusie interpreteert A-G Van Hilten de verwijzingsopdracht van het HvJ EU als het beantwoorden van de vraag of de documenten en de dieselmotor op enig moment van elkaar gescheiden zijn geraakt. Dit is volgens de A-G niet aan de orde, aangezien dit in feitelijke instanties gesteld noch gebleken is, zodat ervan uit moet worden gegaan dat de dieselmotor slechts te laat is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming In verband met dit verzuim is volgens de A-G invoer-btw verschuldigd, omdat feitelijk vaststaat dat geen enkele verklaring voor de termijnoverschrijding is gegeven. Echter, aangezien de motor wederuitgevoerd is, hoort hier per saldo geen btw op te drukken, zo meent de A-G. De invoer-btw zou dan ook voor restitutie of aftrek in aanmerking moeten komen bij de ondernemer voor wie de motor is bestemd. Het is de A-G niet duidelijk of deze ondernemer, die de motor in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten heeft gebruikt of betrokken uit een derde land, dezelfde is als de belanghebbende in deze zaak, namelijk X. 

De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.

Zie 9.2 voor meer informatie over de invoer van goederen.? 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op