18 november 2014A-G: holding verlegde btw verschuldigd over adviesdiensten door ondernemers buiten EU

De in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij X B.V., die geen economische prestaties verricht, verwerft in 2006 een aandelenbelang in een onderneming buiten de EU. Ter zake van de aankoop van deze aandelen heeft X B.V. diensten van diverse in het binnen- en buitenland gevestigde adviseurs afgenomen. Niet binnen de EU gevestigde adviseurs hebben aan X B.V. ruim 1 miljoen euro in rekening gebracht. In geschil is of deze diensten belast zijn met Nederlandse btw. 

In art. 9, lid 3, sub b van de Zesde Richtlijn stond dat lidstaten de plaats van dienst ter voorkoming van niet-heffing kunnen aanmerken als binnen de EU gelegen, indien het gebruik en de exploitatie in het binnenland geschiedt (een zogeheten ‘kan-bepaling’) Op grond van het in 2006 geldende art. 6, lid 2, onderdeel e, ten eerste van de Wet OB was deze bepaling overgenomen voor onder andere adviesdiensten die zijn verricht aan Awr-lichamen (zoals B.V.’s) in Nederland die geen btw-ondernemer zijn. Volgens X B.V. ziet de richtlijnbepaling waarop art. 6, lid 2, onderdeel e, ten eerste Wet OB was gebaseerd slechts op diensten aan (binnen de EU gevestigde) btw-ondernemers. De inspecteur van de Belastingdienst is een tegengestelde mening toegedaan. 

Rechtbank Noord-Holland heeft in deze zaak geoordeeld dat de (oude) nationale wet op dit punt in strijd is met de Zesde Richtlijn en X B.V. in het gelijk gesteld. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam in tegengestelde zin geoordeeld. Naar zijn oordeel verwijst de term ‘dit artikel’ in art. 9, lid 3, sub b Zesde Richtlijn niet slechts naar art. 9, lid 2, sub e Zesde Richtlijn (bepaalde diensten aan binnen de EU gevestigde btw-ondernemers), maar naar het gehele art. 9 van de Zesde Richtlijn. X B.V. heeft cassatieberoep aangetekend tegen deze uitspraak. 

A-G Van Hilten adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren. Volgens de A-G ligt het grammaticaal en teleologisch voor de hand dat met de term ‘dit artikel’ verwijst naar het gehele art. 9. Het is volgens de A-G niet nodig hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Met de omzetting van art. 9, lid 3, sub b Zesde Richtlijn naar art. 6, lid 2, onderdeel e, ten eerste van de Wet OB heeft de Nederlandse wetgever naar de mening van de A-G beoogd eenzelfde reikwijdte te geven als aan het richtlijnartikel. Nederland heeft de kan-bepaling derhalve geen ruimere interpretatie gegeven dan de Zesde Richtlijn toestaat. De conclusie van de A-G heeft, indien de Hoge Raad deze volgt, tot gevolg dat de aan X B.V. verrichte adviesdiensten door buiten de EU gevestigde ondernemers ook op grond van art. 9, lid 3, sub b Zesde Richtlijn belast zijn in Nederland, hetgeen betekent dat de inspecteur terecht € 203.785 (verlegde) btw heeft nageheven van X B.V.

 Deze zaak heeft betrekking op de oude regels voor de plaats van dienst. Deze regels zijn met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd. Zie 3.3 en 3.4 voor meer informatie over de plaats van diensten aan ondernemers en niet-ondernemers.??

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op