11 september 2017A-G: Gemeenten ook btw-plichtig voor straatparkeren

Gemeenten zijn vanaf 2015 btw-plichtig voor zowel het gelegenheid geven tot slagboomparkeren als de exploitatie van gemeentelijke parkeergarages en -terreinen met uitsluitend (camera)registratie bij het in- of uitrijden. A-G Ettema is van mening dat de btw-plicht ook geldt voor straatparkeren, omdat er sprake is van een concurrentieverstoring met particuliere marktdeelnemers.

De heffingsambtenaar van de gemeente Groningen heeft op 6 november 2013 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het parkeren van zijn voertuig op de openbare weg. De nageheven parkeerbelasting bedroeg € 1,60 en de kosten van de naheffing bedroegen € 56,00. Belanghebbende heeft tegen deze naheffing bezwaar aangetekend en verzocht om een factuur met btw aan hem uit te reiken voor de in rekening gebrachte parkeerbelasting en kosten. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan bij rechtbank Noord-Nederland. Ook de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof is het eens met de rechtbank. Het hof oordeelt dat de gemeente Groningen voor het gelegenheid bieden tot straatparkeren niet als ondernemer voor de btw is aan te merken en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting juist is opgelegd. Het Hof stelt dat uit Isle of Wight Council is af te leiden dat bij de beoordeling of sprake is van verstoring van de mededinging van belang is of sprake is van soortgelijke diensten, dus diensten die bezien vanuit de modale consument met elkaar concurreren. Volgens het Hof is, gelet op de verschillen tussen straatparkeren en slagboomparkeren, geen sprake van soortgelijke diensten die met elkaar concurreren. Het Hof stelt dat er een verschil is in bewaking en controles, bescherming tegen weersinvloeden, parkeerduur en kosten.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende stelt dat het Hof een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of sprake is van verstoring van de mededinging van enige betekenis. A-G Ettema heeft conclusie genomen in deze zaak. De A-G stelt dat uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat de beoordeling of sprake is van ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’ moet plaatsvinden met betrekking tot de ‘werkzaamheid als zodanig’. Vervolgens moet worden bepaald of met die werkzaamheid binnen de relevante markt wordt opgetreden (of dat de reële mogelijkheid bestaat dat zal worden opgetreden) door particuliere marktdeelnemers en of binnen die markt daarom ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’ optreedt. De A-G komt tot de slotsom dat de ‘werkzaamheid als zodanig’ te dezen moet worden omschreven als ‘het tegen betaling van een vergoeding gelegenheid bieden tot parkeren van een voertuig’ dus ongeacht de locatie waar geparkeerd wordt. De werkzaamheid bevat, anders dan het Hof oordeelde, volgens de A-G zowel het straatparkeren als het slagboomparkeren. De A-G stelt dat straatparkeren en slagboomparkeren met elkaar concurreren. Ook is het hof volgens de A-G uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door voor de beoordeling van de ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’ uitsluitend de plaatselijke markt in aanmerking te nemen. Gelet op rechtspraak van het HvJ kan de relevante markt niet worden afgebakend door gemeentegrenzen, maar dient de situatie in Nederland in de beoordeling te worden betrokken. Ook gemeenten waar uitsluitend straatparkeren plaatsvindt zijn dan btw-plichtig.

De A-G adviseert het HvJ te oordelen dat het aanbieden van straatparkeren een btw-belaste prestatie vormt en dat de gemeente aan belanghebbende een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdeel a, Wet OB moet uitreiken. De gemeente dient volgens de A-G een factuur uit te reiken waarop een bedrag van (21/121×1.60=) 0.28 aan btw is vermeld. Er ontbreekt namelijk een verband tussen de in het kader van de naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten en straatparken. De kostencomponent in het bedrag van de naheffingsaanslag behoort dan ook niet tot de vergoeding voor het straatparkeren, die bestaat uit 1.60 euro.

 Wij zijn het eens met de uitspraak van de A-G. Gemeenten kunnen een forse kostenpost tegemoet zien als het advies van de A-G door de Hoge Raad wordt gevolgd. De gemeente die straatparkeren aanbieden zullen 21% btw uit de ontvangen parkeerbelasting moeten voldoen en op het parkeerkaartje moeten vermelden dat het bedrag inclusief 21% btw is. Dit kan grote financiële gevolgen hebben. Wel kan dan de aan de betreffende parkeerplaatsen toerekenbare inkoop-btw (deels) als voorbelasting in aftrek worden gebracht via de btw-aangifte. Het zal nog wel even duren voordat duidelijk wordt of de gemeenten hun handelswijze met betrekking tot straatparkeren moeten aanpassen. Het is namelijk maar de vraag of het advies van de A-G wordt gevolgd. Rechtbank Gelderland kwam in een soortgelijke zaak tot een zelfde conclusie als de A-G.Het is wachten op een uitspraak van de Hoge Raad.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op