22 maart 2016A-G: geen volledige btw-aftrek openbaar radiostation dat met name wettelijke radiobijdragen ontvangt

De activiteit van een openbare radio-omroep die wordt gefinancierd met wettelijke bijdragen vormt geen activiteit onder bezwarende titel en doet geen recht ontstaan op aftrek van de btw die deze omroep verschuldigd is of voldaan heeft voor de voor deze activiteit verworven en gebruikte goederen en diensten, aldus A-G Szpunar in een recente conclusie voor het HvJ EU.

De Tsjechische openbare radio-omroep ?eský rozhlas wordt met name gefinancierd met wettelijk ingestelde radiobijdragen. ?eský rozhlas heeft verzocht om een aanvullende aftrek van voorbelasting met betrekking tot tijdvakken uit 2006. Zij had de pro rata-aftrek namelijk opnieuw berekend, en daarbij de aan haar uitbetaalde radiobijdragen – die zij aanvankelijk gedeclareerd had als vrijgestelde handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestond – niet meer in deze berekening opgenomen. Naar de mening van ?eský rozhlas waren deze radiobijdragen namelijk geen tegenprestatie voor de verrichte dienst van de openbare radio-omroep. De Tsjechische fiscus heeft deze zienswijze niet overgenomen en het verzoek om aanvullende aftrek geweigerd. ?eský rozhlas is hiertegen in verweer gekomen.

De Tsjechische rechter heeft bij de behandeling van deze zaak een prejudiciële vraag voorgelegd aan het HvJ EU. De rechter vraagt zich af of een openbare radio-omroep, die wordt gefinancierd met wettelijk opgelegde bijdragen, waarvan ook de hoogte bij wet wordt vastgesteld, die verschuldigd zijn door eenieder die eigenaar of bezitter is van een radio of op een andere rechtsgrond een radio mag gebruiken, worden geacht onder bezwarende titel diensten te verrichten, dan wel dat een dergelijke omroep een niet-economische activiteit verricht.

A-G Szpunar heeft in deze zaak conclusie genomen. De A-G merkt allereerst op dat de formulering van de prejudiciële vraag inhoudt dat zij slechts betrekking heeft op de activiteit van een openbare radio-omroep voor zover deze wordt gefinancierd met radiobijdragen. De vraag heeft dus geen betrekking op de met andere gelden gefinancierde activiteiten. Vervolgens komt de A-G tot de conclusie dat de radiobijdrage vanuit het oogpunt van de bijdrageplichtige geen tegenwaarde is voor de door de openbare radio-omroep verrichte prestaties. Het noodzakelijke rechtstreekse juridische verband ontbreekt namelijk, omdat de activiteit van ?eský rozhlas georganiseerd is op basis van de wet en niet afhangt van de identiteit van (het concrete aantal) luisteraars. Bovendien staat de verplichting tot betaling van de radiobijdragen volledig los van de vraag of de bijdrageplichtige effectief gebruikmaakt van de omroepdiensten. De radiobijdrage is evenmin aan te merken als de betaling van een ‘prijs’ die de Tsjechische Staat betaalt voor de radiodiensten, omdat ?eský rozhlas geen prijs vraagt. Er is geen sprake van een economische relatie die vrijwillig is aangeknoopt door twee autonome entiteiten. Een activiteit waarvoor de radio-omroep geen enkele tegenprestatie ontvangt van de ontvangers (de luisteraars) en die wordt gefinancierd met een subsidie die ertoe strekt de activiteiten van de radio-omroep in het algemeen te financieren, kan zeker niet worden aangemerkt als een onder bezwarende titel verrichte activiteit, aldus de A-G.

Met betrekking tot het recht op aftrek merkt de A-G op dat het feit dat een belastingplichtige inkomsten verkrijgt die geen tegenprestatie zijn voor zijn handelingen en die geen deel uitmaken van zijn omzet, er in beginsel niet toe mag leiden dat zijn aftrekrecht wordt beperkt. De toekenning van een recht op aftrek voor goederen en diensten die gebruikt worden voor de verrichting van een niet-economische activiteit gaat volgens de A-G echter in tegen de logica van het btw-stelsel en in het bijzonder tegen art. 17, lid 2 van de Zesde Richtlijn. Dit geldt des te meer als de belastingplichtige een openbare radio-omroep is, zoals ?eský rozhlas, omdat diens activiteiten – indien deze onder bezwarende titel zouden zijn verricht en dus belastbaar waren – zouden zijn vrijgesteld van btw-heffing en dus geen recht op btw-aftrek zouden doen ontstaan. De openbare omroep kan uiteraard ook een commerciële activiteit uitoefenen, zo merkt de A-G op, die met andere middelen wordt gefinancierd. In het kader van die activiteit heeft hij dan wel recht op aftrek van de voorbelasting, zij het enkel voor het gedeelte van de goederen en diensten dat hij voor deze commerciële activiteit gebruikt.

Aangezien de Zesde Richtlijn geen regels bevat om de omvang van het recht op aftrek te bepalen van belastingplichtigen die zowel belastbare (en belaste) als niet-belastbare activiteiten uitoefenen, behoort de vaststelling van methoden en criteria voor deze verdeling – conform het Securenta-arrest – tot de bevoegdheid van de lidstaten. De lidstaten moeten bij de uitoefening van hun bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de systematiek van de Zesde richtlijn en daarom in een berekeningsmethode voorzien die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gemaakte kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.

 

 Hoewel wij de conclusie onderschrijven dat de wettelijke radiobijdragen niet de vergoeding vormen voor de verrichte omroepdiensten zijn wij van mening dat de A-G in zijn conclusie ten onrechte belang hecht aan het feit dat de wettelijke bijdrage verschuldigd is, ongeacht het gebruik van de omroepdiensten door de luisteraars. Zoals het Kennemer Golf & Country Club- en het Air-France KLM & Hop!-Brit Air SAS-arrest van het HvJ laten zien, kan ook zonder feitelijk gebruik sprake zijn van (te belasten) verbruik. Naar onze mening volstaat het dat geen sprake is van een overeenkomst op grond waarvan de het radiostation een bepaalde vergoeding ontvangt voor het verrichten van de omroepdiensten. In Nederland zijn de regels voor de splitsing van voorbelasting bij kosten die verband houden met economische en niet-economische activiteiten opgenomen in een beleidsbesluit. Uit het besluit 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M volgt dat de btw-ondernemer een  splitsingsmethode moet hanteren waarbij aangesloten wordt bij objectieve factoren, zoals omzet, opbrengsten, m2, m3 of kosten, onder voorwaarde dat deze zoveel als mogelijk recht doen aan het gebruik dat van de goederen of de diensten wordt gemaakt. In paragraaf 3.6.1 van dit besluit is een bijzondere regeling opgenomen voor de splitsing van btw bij lokale en regionale omroepen. Zie 10.4.3 voor meer informatie over dit onderwerp. 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op