7 juni 2017A-G: geen beroep bij belastingrechter mogelijk tegen intrekking btw-nummer

In Nederland geldt in het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit houdt in dat alleen beroep bij de belastingrechter openstaat in de in art. 26 Awr genoemde gevallen (een belastingaanslag, een voor bezwaar vatbare beschikking of de voldoening of afdracht van belasting op aangifte dan wel inhouding van belasting door de inhoudingsplichtige). Omdat degene aan wie het recht is verleend beroep in te stellen eerst bezwaar moet maken (art. 7:1 Awb), bepaalt art. 26 Awr ook waartegen bezwaar mogelijk is. Aan de Hoge Raad is voorgelegd of de tegen de beslissing van de inspecteur om het btw-nummer in te trekken beroep bij de belastingrechter mogelijk is. A-G Ettema heeft de Hoge Raad geadviseerd die vraag ontkennend te beantwoorden.

In deze cassatieprocedure gaat het om een in Duitsland woonachtige natuurlijk persoon (hierna: de Duitser) die van de inspecteur een brief heeft ontvangen waarin wordt medegedeeld dat zijn btw-nummer wordt ingetrokken. Omdat de Duitser meent dat hij recht heeft op btw-aftrek, stelt hij beroep in bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit, maar geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en doet de zaak af met een vereenvoudigde behandeling. In deze uitspraak wijst de rechtbank de Duitser op de mogelijkheid zich te wenden tot de burgerlijke rechter (lees: een civiele procedure). Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring heeft de Duitser verzet gedaan. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Tegen die uitspraak stelt de Duitser cassatieberoep in. Naar zijn mening is het intrekken van het btw-nummer hetzelfde als het weigeren van de btw-aftrek, omdat het na het intrekken van het btw-nummer niet meer mogelijk is via de btw-aangifte btw-aftrek te claimen. Daarnaast is hij van mening dat art. 214 btw-richtlijn eist dat tegen de intrekking van het btw-nummer bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

A-G Ettema (hierna: de A-G) leidt uit het Nidera Handelscompagnie-arrest van het HvJ af dat de identificatie als btw-ondernemer geen recht op btw-aftrek doet ontstaan. Het intrekken van het btw-nummer is derhalve niet hetzelfde als de weigering van de btw-aftrek, zoals de Duitser (veronder)stelt. Daarnaast is de A-G van mening dat uit art. 214 btw-richtlijn niet volgt dat tegen de intrekking van een btw-nummer bezwaar en beroep bij de belastingrechter mogelijk moet zijn. Deze richtlijnbepaling heeft volgens de A-G geen rechtstreekse werking en dwingt lidstaten niet expliciet om bezwaar en beroep mogelijk te maken tegen de intrekking van een btw-nummer. Daarnaast volgt uit met name het Salomie en Oltean-arrest van het HvJ dat ook geen sprake is van een impliciete verplichting tot het openstellen van een dergelijke bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Volgens het HvJ is een btw-nummer een formeel vereiste voor het recht op btw-aftrek, maar geen aan particulieren toekomend recht. De A-G concludeert daarom dat de cassatiemiddelen falen. Toch meent de A-G dat het cassatieberoep wel gegrond is, omdat de rechtbank de zaak niet door middel van een vereenvoudigde behandeling had mogen afdoen. De rechtbank had de normale procedure moeten volgen (lees: met een onderzoek ter zitting) en vervolgens een uitspraak moeten doen waarin zij zich onbevoegd verklaart. De rechtbank heeft het verzet daarom ten onrechte ongegrond verklaard. De A-G merkt ten overvloede op dat als de Duitser een procedure start bij de burgerlijke rechter deze rechter dient te beoordelen of de inspecteur terecht heeft btw-nummer heeft ingetrokken. Naar de mening van de A-G is dit het geval indien de Duitser niet op basis van objectieve gegevens kan aantonen dat hij btw-ondernemer is dan wel indien de inspecteur aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat ernstige aanwijzingen bestaan dat het btw-nummer zal worden gebruikt voor btw-fraude.

 In de literatuur is al vele malen gepleit voor de afschaffing van het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht en – conforme het algemene bestuursrecht – over te gaan op een open stelsel van rechtsbescherming. Dit pleidooi houdt in dat tegen alle besluiten van de inspecteur bezwaar en beroep mogelijk is, tenzij de wet dit uitsluit (art. 8:1 Awb e.v.). De angst voor (nog) meer bezwaar- en beroepsprocedures lijkt voor de wetgever de belangrijkste reden te zijn om aan die oproep vooralsnog geen gehoor te geven. Angst is echter geen goede raadgever. De invoering van het open stelsel van rechtsbescherming in het algemene bestuursrecht heeft namelijk niet tot een explosie van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures geleid. Het is daarom maar zeer de vraag of de angst voor een enorme toename van het aantal belastingzaken gegrond is. Afgezien daarvan, aan het vasthouden aan het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht kleven belangrijke nadelen. In de eerste plaats is een civiele procedure minder toegankelijk (in beginsel verplichte procesvertegenwoordiging, de mogelijkheid tot veroordeling in de proceskosten van de wederpartij etc) dan een belastingprocedure. Daarnaast beschikt de burgerlijke rechter niet over de benodigde fiscale kennis om deze zaken op een bevredigende wijze te kunnen behandelen. Naar onze mening zou het alleen al vanwege deze nadelen aanbeveling verdienen om het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht los te laten.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op