21 juni 2017A-G: deelname aan bridgewedstrijden btw-vrijgesteld

Op grond van art. 132, lid 1, onderdeel m btw-richtlijn zijn sommige diensten welke nauw samenhangen met ‘sportbeoefening of met lichamelijke opvoeding’ door niet-winstbeogende instellingen btw-vrijgesteld (hierna: de sportvrijstelling). In de prejudiciële zaak English Bridge Union Limited is aan het HvJ de vraag voorgelegd of wedstrijdbridge, een denksport, voor de toepassing van de sportvrijstelling als een ‘sport’ moet worden aangemerkt. A-G Szpunar is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. De English Bridge Union Limited (hierna: EBU) is een nationale instelling die verantwoordelijk is voor het administratieve beheer van het bridge-spel in Engeland. EBU organiseert onder andere bridgewedstrijden waaraan leden tegen een betaling van inschrijfgeld kunnen deelnemen. Over deze inschrijfgelden heeft zij btw in rekening gebracht. EBU is van mening dat de sportvrijstelling van toepassing is en verzoekt om terugbetaling van de voldane btw. In geschil is of wedstrijdbridge een ‘sport’ is in de zin van de sportvrijstelling. Het Upper Tribunal in het Verenigd Koninkrijk heeft het HvJ hierover prejudiciële vragen gesteld.

In deze zaak heeft A-G Szpunar (hierna: de A-G) een conclusie genomen. De A-G stelt voorop dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd en dat lidstaten verplicht zijn om de sportvrijstelling te implementeren. Volgens de grammaticale uitleg houdt het begrip ‘sport’ een lichamelijke component in. Toch is de A-G van mening dat (aanzienlijke) fysieke inspanning niet vereist is om een activiteit als sport in de zin van de sportvrijstelling aan te merken. Anders zouden erkende sporten, zoals schaken, boogschieten en sportschieten, niet als sport kwalificeren. Daarnaast acht de A-G van belang of sporten door internationale sportorganisaties als sport wordt aangemerkt, hetgeen bij bridge het geval is. Zo heeft het Internationaal Olympisch Comité voorgesteld bridge de status van olympische sport toe te kennen en onderdeel te laten zijn van de Olympische Spelen in 2020. Tevens moeten de regionale opvattingen ten aanzien van regionale sporten (zoals hurling in Ierland of kumoterki in Polen) in aanmerking worden genomen om te beoordelen of een activiteit kan kwalificeren als sport. Naar de mening van de A-G valt wedstrijdbridge daarom onder de sportvrijstelling.

 De beslissing van het HvJ in deze zaak is van belang voor de Nederlandse praktijk, omdat bridge in Nederland reeds wordt aangemerkt als ‘sport’ (zie de Toelichting op Tabel I, post b.3). De Staatssecretaris van Financiën meent dat bridge naar maatschappelijke opvattingen moet worden beschouwd als ‘sport’ voor de toepassing van het 6%-tarief voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze uitleg van het begrip ‘sport’ niet geldt voor de toepassing van de sportvrijstelling in Nederland. Het arrest van het HvJ in deze zaak zal duidelijk maken of deze uitleg van het begrip ‘sport’ door de Europese beugel kan. Voor meer informatie over de sportvrijstelling zie 8.2.4.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op