11 juli 2017A-G: Dat landbouwregeling voordeliger uitpakt dan normale btw-regels geen reden voor uitsluiting

De landbouwregeling is een speciale regeling voor landbouwproducenten en zorgt voor een administratieve lastenverlichting voor deze categorie belastingplichtigen. De landbouwregeling is een facultatieve bepaling. Dit wil zeggen dat lidstaten de keuze hebben om deze regeling te implementeren in hun nationale wetgeving. Wanneer deze regeling eenmaal is ingevoerd, kunnen zij deze regeling niet naar eigen inzicht vormgeven, maar moeten zij zich houden aan de voorwaarden die de btw-richtlijnbepaling stelt. Het Verenigd Koninkrijk heeft de landbouwregeling geïmplementeerd, maar stelt de voorwaarde/uitleg dat een landbouwproducent geen gebruik meer mag maken van deze regeling als de forfaitair belaste landbouwer meer btw terugkrijgt dan het geval zou zijn indien hij volgens de normale regeling voor de btw zou zijn geregistreerd. A-G Szpunar concludeert dat de Britse landbouwregeling onrechtmatig is, omdat alleen landbouwproducenten van de landbouwregeling kunnen worden uitgesloten op grond van de voorwaarden die in de btw-richtlijn staan vermeld. Uitsluitingen op andere gronden is niet toelaatbaar. De landbouwregeling pakt in casu gunstig uit voor de btw-ondernemer.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Shields & Sons Partnership (hierna: Shields & Sons) is een Brits landbouwbedrijf dat actief is in de veehouderij. Sinds het belastingjaar 2004/2005 past Shields & Sons de landbouwregeling toe. In de loop van de jaren bleek dat de bedragen die Shields & Sons ontving als forfaitaire compensatie steeds groter werden dan de onderneming volgens de normale regeling had mogen aftrekken. Daarop heeft HMRC in 2012 op grond van een nationale voorwaarde/uitleg besloten het certificaat voor deelname aan de landbouwregeling in te trekken, omdat de onderneming als forfaitair belaste landbouwer wezenlijk meer terugkreeg dan indien zij volgens de normale regeling voor de btw zou zijn geregistreerd. Het bezwaar en beroep van Shields & Sons worden verworpen. De verwijzende rechter stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van de Britse landbouwregeling.

Art. 296, lid 2 btw-richtlijn noemt de volgende twee gevallen voor uitsluiting van de landbouwregeling: enerzijds een bepaalde categorie landbouwproducenten die de lidstaat op basis van een algemene uitsluiting op voorhand heeft uitgesloten en anderzijds landbouwproducenten voor wie de toepassing van de normale regeling of de vereenvoudigde regels geen administratieve moeilijkheden oplevert. De mogelijkheid dat een individuele landbouwproducent op basis van de landbouwregeling een hogere of lagere compensatie kan krijgen, is naar de mening van de A-G niet in strijd met het neutraliteitsbeginsel, omdat de wetgever bewust is afgeweken van dit beginsel door de landbouwregeling te baseren op een zekere veralgemenisering. De landbouwregeling is namelijk van toepassing op iedere concrete forfaitair belaste landbouwer. Daarnaast kan art. 299 btw-richtlijn niet de grondslag vormen voor individuele besluiten die betrekking hebben op bepaalde forfaitair belaste landbouwers, omdat de regels voor de wijze van het vaststellen van het tarief voor de forfaitaire compensatie op de forfaitair belaste landbouwers gezamenlijk zien en niet op ieder van hen afzonderlijk. Bovendien volgt uit art. 295, lid 1 punt 6 btw-richtlijn dat de btw-voordruk voor de toepassing van de landbouwregeling de totale druk aan btw betaald door alle forfaitair belaste landbouwers betreft en verbiedt het dus niet dat een individuele forfaitair belaste landbouwer een compensatie ontvangt die hoger is dan de btw die daadwerkelijk door hem is betaald. De A-G concludeert dat de Britse categorie ‘landbouwproducenten waarvan is gebleken dat zij als deelnemers aan die forfaitaire regeling wezenlijk meer terugkrijgen dan indien zij voor de btw zouden zijn geregistreerd’ een niet naar behoren gevormde categorie landbouwproducenten is en onverenigbaar is met de logica van deze regeling. Deze categorie kan niet als grond voor uitsluiting van de landbouwregeling dienen, omdat uit de artikelen 295 t/m 305 van de btw-richtlijn volgt dat de enige toelaatbare voorwaarden voor de uitsluiting van een forfaitair belaste landbouwer van de landbouwregeling voortvloeien uit art. 296, lid 2 btw-richtlijn. Uitsluitingen op andere gronden is niet toelaatbaar. De landbouwregeling pakt in casu gunstig uit voor de btw-ondernemer.

 De landbouwregeling kent expliciet benoemde uitsluitingen/voorwaarden. De A-G geeft duidelijk aan dat deze wettelijke uitsluitingen/voorwaarden in deze zaak niet aan de orde zijn en dat een lidstaat daarom niet een uitsluitingsvoorwaarde erbij mag verzinnen in gevallen van negatieve gevolgen van zijn doen (of nalaten).

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op