19 oktober 2016A-G: btw-teruggaafverzoek zonnepanelen tijdig ingediend

Een eigenaar van een zonne-energie-installatie die een verzoek om teruggaaf van btw op zonnepanelen heeft ingediend binnen de door de inspecteur gestelde termijn, is naar de mening van A-G IJzerman onterecht aftrek geweigerd, omdat hij slechts het verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte te laat heeft ingediend.

Op 1 september 2012 heeft X een zonne-energie-installatie in gebruik genomen en ter zake hiervan circa € 830 btw in rekening gebracht gekregen. In de periode september tot december 2012 heeft X ook zelf btw in rekening gebracht aan derden in verband met de levering van elektriciteit. Een dag na de publicatie van de conclusie van de A-G in de zaak Fuchs, 8 maart 2013, heeft X de Belastingdienst schriftelijk verzocht om als btw-ondernemer aangemerkt te worden. De inspecteur heeft aan dit verzoek voldaan en een aangiftebiljet uitgereikt voor het tijdvak 1 september tot en met 31 december 2012, waarbij vermeld is dat de aangifte ingediend moet zijn op 6 mei 2013. Op 7 april 2013 heeft X de aangifte, waarin hij per saldo verzocht om een teruggaaf van € 810, ingediend. De inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 25 mei 2013 afgewezen en het teruggaafbedrag op nihil gezet. X heeft hiertegen bezwaar en beroep aangetekend.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Noord-Holland het beroep van X gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de inspecteur gelast om een teruggaaf van € 810 te verlenen aan X. In het door de inspecteur ingestelde hoger beroep oordeelt Hof Amsterdam andersluidend, namelijk dat X het verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte met betrekking tot het derde kwartaal uiterlijk 31 oktober 2012, en met betrekking tot het vierde kwartaal uiterlijk 31 januari 2013 moeten indienen, omdat hij in die tijdvakken btw verschuldigd was wegens het leveren van elektriciteit. Aangezien X niet binnen de daartoe wettelijk gestelde termijn verzocht heeft om een uitnodiging tot het doen van aangifte, maar pas op 8 maart 2013, is dit verzoek en het teruggaafverzoek niet tijdig gedaan. Het feit dat X de door de inspecteur gestelde termijn voor het indienen van de aangifte in acht heeft genomen leidt er volgens het hof niet toe dat het teruggaafverzoek tijdig is gedaan, omdat de wettelijke systematiek onderscheid maakt tussen het tijdig voldoen aan het verzoek van de inspecteur en het tijdig voldoen van btw of terugvragen van btw.

X heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof. A-G IJzerman adviseert de Hoge Raad dit beroep gegrond te verklaren. Naar de mening van de A-G gaat het hier vooral om de vraag of de inspecteur, door aan X een termijn voor het doen van aangifte te stellen die langer is dan de wettelijke termijn, in zoverre uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend. Als dat zo is, heeft X recht op teruggaaf. Het lijkt de A-G juist dat art. 31 Wet OB van toepassing is. Daarnaast lijkt hem niet dat de wettelijke regeling met zich meebrengt dat het al dan niet tijdig verzocht hebben om een uitnodiging tot het doen van aangifte doorslaggevend is voor de tijdigheid van het doen van aangifte zelf. Uit de parlementaire behandeling van art. 6 AWR blijkt immers dat “de verplichting tot het doen van aangifte (…) eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.” Wettelijke bepalingen die bepalen dat het niet tijdig verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte moet leiden tot de constatering dat de nadien gedane aangifte niet tijdig gedaan is, zijn de A-G niet bekend en daarom zal zelfstandig moeten worden beoordeeld welke wettelijke termijnen hier gelden voor het doen van aangifte en daarmee voor het daarin vervatte teruggaafverzoek. De A-G adviseert de Hoge Raad te oordelen dat de inspecteur, door te vermelden dat de aangifte ingediend moet zijn op 6 mei 2013, een termijn van uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend. De op 7 april 2013 ingediende aangifte en het daarin vervatte teruggaafverzoek moeten daarom als tijdig gedaan worden aangemerkt, aldus de A-G. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.

 In deze zaak was niet in geschil dat de eigenaar van de zonne-energie-installatie in het tijdvak van aanschaf ook btw verschuldigd was. In dit opzicht verschilt deze zaak met ‘zonnepanelenzaken’ waarin de eigenaar in het ‘aanschaftijdvak’ nog geen btw verschuldigd was. In deze zaak is de A-G van mening dat vanwege de leveringen aan de energiemaatschappij in september 2012 de verplichting bestaat om te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. In de lagere rechtspraak en de literatuur bestaat hierover verschil van mening. Uit art. 14 Wet OB zou ook afgeleid kunnen worden dat deze verplichting alleen geldt indien in een tijdvak (lees: per saldo) btw verschuldigd is. Voor de praktijk zou het daarom wenselijk zijn als de Hoge Raad hierover duidelijkheid verschaft. In deze zaak loopt het voor de eigenaar van de zonnepanelen goed af, omdat de inspecteur de indieningstermijn op 6 mei 2013 had bepaald. De A-G beschouwt dit als een verleend uitstel voor het doen van aangifte over de periode van 1 september tot en met 31 december 2012. Ons zijn echter situaties bekend waarin de inspecteur een dergelijk uitstel niet verleent en de indieningstermijn stelt op één maand na afloop van het aangiftetijdvak, ook indien deze indieningstermijn op het moment waarop de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt verstuurd op dat moment reeds (ruim) verstreken is. In dat geval wordt het een eigenaar van zonnepanelen per definitie onmogelijk gemaakt om nog tijdig een aangifte in te dienen, Naar onze mening is een dergelijke handelswijze in strijd met de zin van art. 10, lid 2 Awr alsmede de beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of deze handelswijze door de beugel kan zal echter in een andere zaak aan de rechter moeten worden voorgelegd. Voor zaken waarin de eigenaar van zonnepanelen in het aanschaftijdvak nog geen opgewekte elektriciteit heeft geleverd speelt de vraag of op grond van art. 31, lid 5 Wet OB een driemaandentermijn geldt voor het teruggaafverzoek. In de rechtspraak wordt vrij algemeen aangenomen dat dit het geval is, maar uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden dat deze bepaling niet bedoeld is voor btw-ondernemers, zoals eigenaren van zonnepanelen die opgewekte elektriciteit leveren aan een energiemaatschappij. Ook deze vraag zal ongetwijfeld nog een keer aan de Hoge Raad worden voorgelegd.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op