28 maart 2018A-G: btw-nummer afnemer geen voorwaarde btw-vrijstelling invoer gevolgd door intracommunautaire levering

A-G concludeert dat de btw-vrijstelling bij invoer alleen van toepassing is als de importeur kan bewijzen dat de goederen na invoer intracommunautair worden geleverd aan een btw-ondernemer. Dit betekent dat de btw-vrijstelling bij invoer niet geweigerd mag worden indien wel aan de materiële voorwaarden van een intracommunautaire levering wordt voldaan, maar de importeur niet beschikt over een btw-nummer van de uiteindelijke afnemer of in gevallen waarin de uiteindelijke afnemer een andere btw-ondernemer is dan in eerste instantie is aangeven bij de aangifte van invoer.

Feiten

De Litouwse ondernemer Enteco Baltic is actief in de groothandel in brandstoffen. Tussen 2010 en 2012 heeft zij brandstoffen vanuit Wit-Rusland in Litouwen ingevoerd met toepassing van de btw-vrijstelling bij invoer. De goederen worden opgeslagen in entrepots voor accijnsgoederen die toebehoorden aan andere Litouwse ondernemingen. Vervolgens worden de goederen ex works doorverkocht aan vennootschappen in Polen, Slowakije en Hongarije waarbij de goederen in Litouwen werden opgehaald door de kopers. Voor het vervoer van de goederen worden elektronische documenten voor het vervoer van de accijnsgoederen opgesteld, alsook CMR-vrachtbrieven. Na levering van de goederen in de belastingentrepots van bestemming ontvangt Enteco Baltic een e-ROR ter bevestiging dat de levering is ontvangen en het elektrische vervoerdocument was afgesloten.

In 2013 heeft de Litouwse fiscus een belastingcontrole uitgevoerd en heeft zij vastgesteld dat Enteco Baltic voldoende bewijs had geleverd dat de goederen Litouwen hadden verlaten en dat de afnemers daadwerkelijk de beschikkingsmacht over de goederen had verkregen. Echter, het douanekantoor van Litouwen heeft na een eigen controle vastgesteld dat Enteco Baltic ofwel de brandstoffen niet had geleverd aan de btw-plichtigen die waren opgegeven in de aangiften van invoer, ofwel niet had aangetoond dat de brandstoffen waren vervoerd en dat de beschikkingsmacht is overgegaan. Er wordt bevolen een bedrag van ruim € 3 miljoen aan invoer btw te betalen, vermeerderd met boeten en vertragingsrente. Enteco Baltic stelt beroep in bij de rechtbank. De verwijzende rechter stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

A-G

Advocaat Generaal Mengozzi benadrukt dat de fiscus op basis van de wettelijke voorwaarden de btw-vrijstelling bij invoer niet mag weigeren indien wordt voldaan aan de materiële voorwaarden van een intracommunautaire levering die volgt op de invoer. Zoals uit eerdere rechtspraak volgt, is het verstrekken van het btw-nummer van de afnemer slechts een formeel vereiste. De btw-vrijstelling bij invoer kan dan alleen geweigerd worden in geval van belastingfraude of wanneer het niet verstrekken/hebben van een btw-nummer van de afnemer ertoe leidt dat er onvoldoende bewijs is om de intracommunautaire levering te bewijzen. Met betrekking tot de bewijsstukken voor het aantonen dat de goederen naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd of verzonden, geeft de A-G aan dat deze op het tijdstip van invoer moeten kunnen aantonen dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om naar een andere lidstaat te worden verzonden of vervoerd. Naar de mening van de A-G voldoen de e-AD-documenten en CMR-vrachtbrieven hieraan. Als bewijs dat de goederen daadwerkelijk het grondgebied hebben verlaten in het kader van een intracommunautaire levering, acht de A-G de e-ROR-verklaringen, het e-AD-document en de CMR-vrachtbrieven voldoende. Ten aanzien van de bewijsvoering geeft de A-G aan dat het de taak van de belastingplichtige is die aanspraak maakt op de btw-vrijstelling bij invoer en de fiscus niet verplicht is om zelf bij andere belastingplichtigen informatie in te winnen die uitsluitend voor overheidsinstanties toegankelijk zijn. De A-G oordeelt dat in het geval wanneer op het tijdstip van de invoer van de goederen in de aangifte van invoer het btw-nummer van een bepaalde belastingplichtige in een andere staat is vermeld, terwijl de goederen later na een wijziging van omstandigheden, aan een andere belastingplichtige (die eveneens btw-plichtig is) zijn geleverd waarbij de autoriteiten in het lidstaat van invoer volledige informatie hebben ontvangen over de identiteit van de werkelijke afnemer, de btw-vrijstelling bij invoer niet geweigerd mag worden als de afnemer aan de hand van voldoende documenten kan bewijzen dat aan de materiële voorwaarden van een intracommunautaire levering wordt voldaan. Bovendien is het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wanneer de douaneautoriteit de btw-vrijstelling bij invoer ontzegt op grond dat niet langer voldaan is aan een van de materiële voorwaarden voor een intracommunautaire levering die volgt op de invoer, terwijl de fiscus van dezelfde lidstaat naar aanleiding van een controle reeds had vastgesteld dat aan die voorwaarde is voldaan.

Noch in de btw-richtlijn, noch in de nationale wetgeving van de lidstaten staat expliciet vermeld welke documenten kunnen dienen als bewijs van het vervoer van de goederen in het kader van een intracommunautaire levering. De A-G heeft in deze zaak aangegeven dat het e-AD-document, de CMR-vrachtbrieven en de e-ROR-verklaring voldoende zijn om het intracommunautair vervoer te bewijzen. Wij wachten met spanning af of het HvJ de conclusie van de A-G zal volgen, zodat het voor de praktijk ook duidelijk zal worden in welke gevallen belastingplichtigen voldoende bewijsstukken hebben om ofwel het nultarief toe te passen voor intracommunautaire leveringen ofwel de btw-vrijstelling bij invoer.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op