12 april 2017A-G: beperking btw-koepelvrijstelling tot bepaalde sector niet toegestaan

Voor diensten door koepelorganisaties aan onbelast presterende leden geldt de zogenoemde ‘koepelvrijstelling’. Duitsland heeft deze btw-vrijstelling beperkt tot koepelorganisaties in de medische sector. De Europese Commissie heeft Duitsland door middel van een inbreukprocedure voor het HvJ gedaagd, omdat zij van mening is dat deze beperking in strijd is met de Btw-richtlijn. A-G Wathelet heeft het HvJ geadviseerd om de Europese Commissie in het gelijk te stellen.

De A-G is van mening dat het systematisch beter zou zijn geweest om de prestaties door een koepelorganisatie (net als de prestaties binnen een fiscale eenheid) als onbelastbaar te beschouwen en niet als btw-vrijgesteld, maar dat hieruit niet volgt dat de koepelvrijstelling kan worden beperkt tot de medische sector. Het doel van de koepelvrijstelling is het voorkomen dat personen die zich in een koepelorganisatie hebben verenigd niet-aftrekbare btw moeten betalen over de diensten die deze organisatie verleent. Dit doel rechtvaardigt dat de koepelvrijstelling wordt verleend aan alle koepelorganisaties waarvan de leden een activiteit uitoefenen die btw-vrijgesteld is of waarvoor zij geen btw-ondernemer zijn.

De A-G wijst ook op het feit dat lidstaten tot 1990 de koepelvrijstelling mochten beperken tot de medische sector, maar dat die mogelijkheid sindsdien is geschrapt. Ook de bewoordingen van art. 132, lid 1, onderdeel f btw-richtlijn en de uitleg daarvan door het HvJ laten geen beperking toe tot de medische sector. Dat de koepelvrijstelling in de btw-richtlijn opgenomen is in hoofdstuk 2 van de btw-richtlijn met als opschrift ‘vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang’ is te verklaren, omdat in het Voorstel voor de Zesde Richtlijn de koepelvrijstelling was beperkt tot de medische sector. Die voorgestelde beperking is door de lidstaten niet aanvaard, maar zij hebben verzuimd om de koepelvrijstelling op een andere plaats in de btw-richtlijn onder te brengen. De Europese Commissie heeft deze onduidelijkheid willen verhelpen door de koepelvrijstelling ook in art. 135 van de btw-richtlijn op te nemen. De Europese Commissie is er steeds van uitgegaan dat de koepelvrijstelling ook geldt voor koepelorganisaties van leden met btw-vrijgestelde financiële en verzekeringsdiensten. Alleen Duitsland hanteert op dit punt een afwijkend standpunt.

De beperking van de koepelvrijstelling tot de medische sector kan volgens de A-G ook niet worden gerechtvaardigd door een reëel en algemeen risico op verstoring van de mededinging voor alle andere koepelorganisaties dan die welke actief zijn in de medische sector. De Duitse wetgever heeft geen verband gelegd tussen het risico op verstoring van de mededinging en de verruiming van de koepelvrijstelling tot de banken- en verzekeringssector. De A-G adviseert het HvJ daarom te oordelen dat de beperking van de koepelvrijstelling tot koepelorganisaties van bepaalde beroepsgroepen in strijd is met de btw-richtlijn.

 Deze conclusie van A-G Wathelet staat haaks op de conclusie van A-G Kokott in de zaken DNB Banca en Aviva. A-G Kokott is namelijk van mening dat de koepelvrijstelling niet geldt voor de verzekerings- en financiële sector. Zoals wij in ons commentaar op deze zaken hebben aangegeven, delen wij de visie van A-G Kokott niet. Voor de Nederlandse praktijk – in Nederland is de koepelvrijstelling niet beperkt tot bepaalde sectoren – is het te hopen dat het HvJ de visie van A-G Wathelet onderschrijft. Uit het Taksatorringen-arrest (verzekeringssector) is overigens af te leiden dat het HvJ tot op heden niet uitgegaan is van een beperking van de koepelvrijstelling tot koepelorganisaties van leden met btw-vrijgestelde prestaties van algemeen belang. Voor meer informatie over de koepelvrijstelling zie 8.2.12.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op