8 februari 2017A-G: beheeractiviteiten voor Natuurmonumenten btw-belast

Een veehouder exploiteert een agrarisch bedrijf. Naast haar agrarische werkzaamheden verricht zij beheeractiviteiten op percelen grasland, rietland en water die in eigendom zijn van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten). De veehouder ontvangt hiervoor een vergoeding van Natuurmonumenten waarbij geen btw in rekening is gebracht en evenmin op aangifte is voldaan. De A-G moet de vraag beantwoorden of de beheeractiviteiten als een belastbare prestatie in de zin van de btw moet worden gezien. In het bijzonder gaat het om de vraag of de beheervergoeding al dan niet als een subsidie of een schadevergoeding kan worden beschouwd.

Zowel Rechtbank Noord-Holland als Hof Amsterdam oordelen dat de vergoeding voor de beheeractiviteiten niet kan worden aangemerkt als een subsidie. Uit de (statutaire) doelstellingen van Natuurmonumenten vloeit rechtstreeks voort dat de beheersdiensten de wezenlijke belangen van deze vereniging dienen. Dit betekent dat Natuurmonumenten de verbruikster is van de prestaties die de veehouder aan haar verricht. Van inkomensverlies van de veehouder als gevolg van de beperkende voorwaarden is geen sprake, omdat het mogen gebruiken van de gronden valt aan te merken als een vergoeding. De veehouder gaat in cassatie. De A-G concludeert dat het beroep in cassatie ongegrond is. De ontvangen vergoeding voor de beheersactiviteiten is de tegenprestatie voor een individualiseerbare dienst. Het dient niet ter compensatie van geleden schade en kwalificeert niet als een subsidie.

In cassatie komt de veehouder op tegen het oordeel van het Hof dat hij met de beheersactiviteiten een voor de btw belastbare prestatie jegens Natuurmonumenten verricht. Het door de veehouder voorgedragen cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen: (1) zijn de van Natuurmonumenten ontvangen vergoedingen onbelaste schadevergoedingen voor een gemis aan inkomsten, (2) is Natuurmonumenten verbruikster van de prestaties die de veehouder aan haar verricht (oftewel: is sprake van een onbelaste subsidie), en (3) moet worden beoordeeld tussen welke partijen een rechtsbetrekking bestaat of moet worden gekeken naar de feitelijke situatie? De A-G behandelt deze vragen in omgekeerde volgorde.

De A-G is van mening dat het Hof terecht heeft beoordeeld of en met wie de veehouder voor het verrichten van de beheersactiviteiten een rechtsbetrekking is aangegaan. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ wordt een dienst enkel ‘onder bezwarende titel’ verricht en is het enkel belastbaar, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestatie worden uitgewisseld, en de vergoeding die de dienstverrichter ontvangt de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. Uit de stukken van het geding, waaronder de gebruikersovereenkomst, volgt namelijk dat er tussen de veehouder en de Provincie geen rechtsbetrekking bestaat met betrekking tot de beheeractiviteiten. Voorts meent A-G Ettema dat het Hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de vergoedingen die de veehouder ontvangt geen onbelaste subsidies zijn. Bij het verstrekken van een subsidie wordt namelijk niet aan btw-heffing toegekomen, indien in ruil voor de subsidie geen diensten aan een identificeerbare verbruiker worden verricht. In casu leveren de beheeractiviteiten een concreet voordeel op voor Natuurmonumenten (goed beheer van haar grond) en staan ze ook in rechtstreeks verband met de door haar betaalde vergoeding. Natuurmonumenten is daarmee de verbruikster van de prestaties die de veehouder aan haar verricht. Dat ook anderen baat hebben bij de beheeractiviteiten van de veehouder, doet daaraan niet af. Tenslotte faalt ook het standpunt van de veehouder dat de vergoeding een schadevergoeding is wegens inkomensderving. De A-G acht het oordeel van het Hof dat de ontvangen vergoeding de tegenprestatie is voor een individualiseerbare dienst, de beheersactiviteiten, en dat deze dus niet dient ter compensatie van geleden schade, niet onbegrijpelijk. A-G Ettema concludeert dat het beroep in cassatie van de veehouder ongegrond dient te worden verklaard.

 Schadevergoedingen en subsidies vallen in beginsel buiten het bereik van het de btw-heffing. Schadevergoedingen worden verstrekt om schade te bekostigen die voortkomt uit wanprestatie of onrechtmatige (overheids)daad. Bij een schadevergoeding wordt een vergoeding betaald ter dekking van geleden schade waardoor een rechtstreeks verband tussen de vergoeding en enige prestatie ontbreekt. Ook bij subsidies is er geen sprake van een btw-relevante prestatie, omdat de prestatie waarvoor de subsidieontvanger subsidie ontvangt niet wordt verbruikt. De subsidie wordt verstrekt in het algemeen belang. De prestatie levert noch de subsidieverstrekker noch identificeerbare andere personen een voordeel op waarvoor zij als verbruikers van de prestatie kunnen worden beschouwd. Hierdoor kwalificeren schadevergoedingen en subsidies niet als een belastbare handeling (of economische activiteit). Een dienst wordt alleen belast met btw als het ‘onder bezwarende titel’ is verricht en tussen de verrichter en ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de ontvangen vergoeding voor de verrichte dienst de werkelijke tegenwaarde vormt van de verleende dienst. In casu is sprake van een rechtsbetrekking tussen de veehouder en Natuurmonumenten, omdat in de gebruikersovereenkomst is aangegeven dat de veehouder tegen een vastgestelde prijs beheersactiviteiten voor Natuurmonumenten moet verrichten waarbij Natuurmonumenten gebruik maakt van de prestaties van de veehouder om zichzelf in staat te stellen om aan door haar jegens derden aangegane verplichtingen te kunnen voldoen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op