30 december 2016A-G: alleen btw bij invoer indien goederen in het economische verkeer konden worden gebracht

Op 10 juni 2009 is op Luchthaven Frankfurt am Main textiel ingevoerd en aangebracht voor een in de vrijhaven van Hamburg gevestigde afnemer. Op 11 juni 2009 worden de goederen aangemeld voor een regeling extern communautair douanevervoer. De regeling douanevervoer moest vóór 17 juni 2009 zijn beëindigd. Wallenborn Transports SA (hierna: Wallenborn) was verantwoordelijk voor het vervoer naar de vrijhaven Hamburg. Echter, de goederen zijn niet aangekomen bij het douanekantoor van bestemming. Wel staat vast dat de textiel in de vrijhaven bij de afnemer zijn aangekomen, gelost en de vrijhaven hebben verlaten en via Finland naar Rusland zijn gebracht.

De Duitse fiscus legt een aanslag invoerrechten en btw bij invoer op aan Wallenborn, omdat Wallenborn had verzuimd het douanevervoer op de juiste manier te beëindigen. Wallenborn stelt m.n. dat de vrijhaven als vrije zone niet tot het binnenland behoort. Daarom is er volgens hem geen sprake van een belastbare handeling voor de btw.

De A-G concludeert dat goederen alleen dan zijn ingevoerd en er dus btw is verschuldigd als deze goederen een als buitenland te kwalificeren vrij zone verlaten en in het vrije verkeer van de EU worden gebracht. Ook concludeert de A-G dat het ontstaan van een douaneschuld wegens onttrekking van goederen aan het douanetoezicht (artikel 203, lid 1 CDW) alleen leidt tot het intreden van het belastbare feit en het verschuldigd worden van de btw bij invoer indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze goederen in het economische verkeer van de EU konden worden gebracht. Dit moet door de nationale rechter nader beoordeeld worden.

 Het lijkt in deze specifieke casus vooral over de vraag te gaan of bij het ontstaan van een douaneschuld automatisch een btw-schuld ontstaat. De casus is specifiek omdat de goederen niet verdwenen zijn, maar de formaliteiten (juiste beëindiging douaneregeling conform voorschriften) niet zijn nageleefd. Helder is wel dat de A-G deze koppeling niet in alle gevallen maakt, maar deze beperkt tot de gevallen waarin ‘redelijkerwijze kan worden vermoed dat deze goederen, i.c. de textiel, in het economische verkeer van de EU worden gebracht. Dat moet in Duitsland zelf verder worden beslist, aldus de A-G. Daarbij willen wij opmerken dat Finland sinds 1995 deel uitmaakt van de EU. Wij zijn benieuwd of het Hof ook alleen in dat geval een koppeling van de btw-schuld aan de douaneschuld aanneemt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op