14 februari 201821% btw verschuldigd over verkoop vaderschapstesten vanuit in Nederland gehuurd appartement

Hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat het gehuurde appartement een vaste inrichting voor de btw is van waaruit de ondernemer zijn diensten verricht. De ondernemer is daarom Nederlandse btw verschuldigd over de verkoop van vaderschapstesten.

Feiten

Een in Duitsland woonachtige man exploiteert in Nederland een eenmanszaak. Hij houdt zich bezig met de begeleiding van DNA-testen via zijn website (vaderschapstesten waarbij toestemming van de moeder niet nodig is). De ondernemer heeft een contract gesloten met een Australisch laboratorium waarin hij is overeengekomen dat hij de vaderschapstesten, die hij aan zijn cliënten verkoopt, uit laat voeren door dit Australisch laboratorium. Het laboratorium verstrekt de setjes die nodig zijn voor het DNA-monster aan de ondernemer tegen kostprijs en vervoerskosten. Cliënten van de ondernemer kunnen voor de betaling van de test kiezen voor een creditcardbetaling of bankoverschrijving. Bij betaling per creditcard gaat de betaling rechtstreeks naar Australië en krijgt de ondernemer een provisie. Bij een bankoverschrijving komt het bedrag op de bankrekening van de ondernemer in Nederland binnen en hij maakt een deel aan het laboratorium over. Cliënten van de ondernemer zijn particulieren die binnen de EU woonden. Vanaf eind 2010 huurt X een appartement in Nederland, dat is ingericht als kantoor. Vanuit dit kantoor verzend X de materialen, worden de DNA-resultaten ontvangen en meegedeeld aan de cliënten.

Procedure

In geschil is wat de plaats van dienst is van de door de ondernemer verleende diensten. De inspecteur is van mening dat de ondernemer beschikt over een vaste inrichting voor het verrichten van zijn diensten, waardoor hij in Nederland btw-belaste prestaties verricht. De ondernemer is van mening dat de zetel van zijn bedrijf in Duitsland lag en dat in Nederland geen sprake is van duurzaamheid, omdat het appartement in Nederland werd gehuurd en de huur of verhuur ieder moment door huurder of verhuurder kan worden opgezegd en hij geen gebruik maakt van personeel of technische hulpmiddelen. De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

Hof

Hof ’s-Hertogenbosch (hierna: hof) oordeelt in de eerste plaats dat voor de uitlegging van het begrip ‘zetel van de bedrijfsuitoefening’ art. 10 btw-verordening van toepassing is. Uit dit artikel volgt dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van de eenmanszaak is gelegen op de plaats waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze centrale bestuurstaken door de ondernemer worden uitgeoefend in Nederland. Derhalve faalt de stelling van de Inspecteur dat de zetel van de ondernemers bedrijfsuitoefening in Nederland is gelegen.

Vervolgens oordeelt het hof dat het gehuurde appartement een vaste inrichting voor de btw is van waaruit de ondernemer zijn diensten verricht. Volgens het hof beschikt de ondernemer met het appartement namelijk over een inrichting in Nederland die een voldoende mate van duurzaamheid en, wat personeel en technische middelen betreft, een geschikte structuur heeft om de door hem te verrichten diensten te kunnen verstrekken. Niet van belang is daarbij of de onroerende zaak in Nederland gehuurd of gekocht is, dat de onderneming een eenmanszaak is en dat de ondernemer kennelijk geen ander personeel in dienst heeft. De inspecteur heeft dan ook terecht een naheffingsaanslag opgelegd.

Voor de plaats van dienst geldt als uitgangspunt dat een in Nederland gevestigde ondernemer gelijk wordt behandeld met een in het buitenland gevestigde of woonachtige btw-ondernemer die in Nederland een vaste inrichting heeft van waaruit hij de diensten verricht (art. 6 Wet OB). In deze zaak is in geschil of een in Duitsland woonachtige persoon de vaderschapstesten verricht vanuit een vaste inrichting in Nederland. Uit jurisprudentie van het HvJ (de arresten Berkholz, Faaborg-Gelting, ARO Lease en Planzer) en de codificatie daarvan in art. 11 lid 2 btw-verordening volgt dat de vaste inrichting over een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technisch materieel betreft – geschikte structuur moet bezitten om de betrokken diensten te verrichten. Hoewel de jurisprudentie van het HvJ inzake het begrip vaste inrichting casuïstisch is, vatten wij deze zo op dat sprake moet zijn van een geschikte structuur qua menskracht en/of faciliteiten om de betreffende overeenkomsten te sluiten (geschiktheidseis) en deze structuur moet een zekere duurzaamheid hebben (duurzaamheidseis). Uit het Welmory-arrest is af te leiden dat ook een gehuurde structuur een vaste inrichting kan zijn. Of het appartement wordt gekocht of gehuurd acht het hof daarom in onderhavige zaak terecht niet van belang voor de vraag of sprake is van een vaste inrichting. In lijn met deze economische benadering doet het ook niet ter zake of sprake is van een eenmanszaak zonder personeel. Het gaat om de aanwezige menskracht en niet om de juridische kwalificatie als ondernemer of werknemer. In deze zaak verzendt de ondernemer de materialen, en worden de DNA-resultaten ontvangen en meegedeeld aan de cliënten vanuit zijn appartement in Nederland. Hierdoor is naar onze mening sprake van een geschikte structuur om de overeenkomsten voor de (begeleiding van de) vaderschapstesten te sluiten en deze inrichting is blijkens de gesloten huurovereenkomst ook voldoende duurzaam om als vast te worden aangemerkt. Wij achten het daarom juist dat het hof oordeelt dat sprake is van een vaste inrichting in Nederland.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op